‘Wat leuk dat je een drama-les komt geven. Ik heb afgesproken dat de kinderen die niet luisteren, niet meedoen of te druk zijn terug gaan naar de klas om verder te gaan met hun werk.’ Deze veel voorkomende uitspraak van een leerkracht waar een gastdocent komt is goed bedoeld. Enkele keren per jaar, of slechts één keer per jaar, komt een gastdocent een drama-les geven. Voor kinderen die dat heel spannend vinden het moment om te blokkeren en bevestigd te worden dat het niks voor hen is. Voor het kind dat eindelijk van zijn stoel af mag en zijn creativiteit te voeden het moment dat hij niet meer weet waar hij het zoeken moet en verzandt in hard rondrennen, vaak met een hoop kabaal. De wat gespannen leerkracht die graag van dit moment dat er een vakdocent komt wil genieten stuurt deze kinderen uit de les en zo missen de kinderen die er zoveel baat bij hebben veel kansen.

Door drama regelmatig in te zetten, als werkvorm zodat het voor de kinderen haast ongemerkt gaat, leren kinderen door spel en beweging. De introverte kinderen gaan meer open, de energieke kinderen kunnen hun energie als kwaliteit inzetten en het leerrendement verhoogt. Dat bewegend leren positieve resultaten oplevert is inmiddels steeds bekender.

Onderbouw: De eerste dag van de zomervakantie (Herkennen en vormgeven van emoties).
Tijdens deze opdracht wordt er aanspraak gemaakt op de luisterhouding en verbeeldingskracht van de kinderen.
U legt uit dat u de kinderen een verhaal gaat vertellen wat de kinderen meteen, non-verbaal, uitspelen. Dit is het eerste deel van de opdracht.
(U begint te vertellen)
‘Je ligt te slapen. Straks als je wakker wordt is het de eerste dag van de zomervakantie en je verheugt je er op om gezellige dingen te gaan doen. Je wordt wakker. Je stapt uit bed en kijkt uit het raam: de zon schijnt al. Je loopt naar de huiskamer…en daar is helemaal niemand. Iedereen ligt nog in bed.
(U vertelt het volgende deel verdrietig verder)
‘Je gaat zelf maar ontbijt maken als niemand anders het voor je doet. Je loopt naar de broodtrommel…maar daar zit niets in. Je loopt naar de koelkast… niks lekkers te drinken…je loopt naar de fruitschaal maar daar ligt alleen een bruine banaan…’
(U vertelt het volgende deel boos verder)
‘Nou heb je er genoeg van. Je gaat die slaapkoppen eens even wakker maken en vertellen wat je er van vindt. Je stampt de trap op, doet de deur van de slaapkamer open…en er is helemaal niemand! Dat betekent dat je helemaal alleen thuis bent.’
(U vertelt het volgende deel bang verder)
‘Je bent nog helemaal niet groot genoeg om alleen thuis te zijn. Hoor je daar iets in de gang? Er komt toch geen boef binnen?’
(U vertelt het volgende deel blij verder)
‘Het zijn papa en mama! Ze hebben om het begin van de zomervakantie te vieren lekkere verse broodjes en fruit gehaald!  Je gaat lekker aan tafel zitten en pakt een heerlijk broodje. Nu kan de zomervakantie beginnen!’
Bespreek met de kinderen welke emoties zij hebben herkend en op welk moment in het verhaal deze emoties voorkwamen: blij, boos, bang en verdrietig.
In het tweede deel worden de emoties aan muziek gekoppeld. U laat vier verschillende muziekfragmenten horen en bespreekt met de kinderen welke emotie bij welk muziekfragment hoort zodat zij als zij weer gaan toneelspelen de emotie herkennen.
Bij ‘Jij kan het ook!’ staan op de bijbehorende CD de tracks ‘Blij’, ‘Bang’, ‘Boos’ en ‘Verdrietig’.
De kinderen gaan het verhaal nogmaals spelen. Deze keer vertelt u het verhaal niet maar start steeds het muziekfragment met de emotie die op dat moment in het verhaal past (Blij, verdrietig, boos, bang en eindigend met blij).
De kinderen zullen hun luisterhouding en verbeeldingskracht moeten gebruiken om het verhaal nogmaals te spelen nu het niet meer door hun leerkracht verteld wordt. U zult zeer waarschijnlijk blij verrast zijn wat deze opbouw voor effect heeft op de inleving en expressie van de kinderen.

Middenbouw: Tekstballonnen (Fantasieontwikkeling en presentatievaardigheden)
Bij deze opdracht wordt er uit gegaan van tekstballonnen zoals bij stripverhalen. Het toneelspel wordt in deze opdrachten vorm gegeven door tableaus vivant. Een tableau vivant is een theaterterm wat een levend schilderij of levend beeld betekent. Door deze spelvorm worden kinderen gedwongen na te denken over het uitbeelden van de handeling en zijn lichaamstaal en mimiek noodzakelijk. Algemeen didactisch gezien is een tableau een lagere drempel om overheen te stappen voor faalangstige kinderen dan het spelen van een scène met beweging en tekst.
Om de kinderen op te warmen en ‘uit het hoofd in het lichaam’ te krijgen begint u door met de kinderen in een kring te gaan staan. U doet een uitroep in een emotie en maakt daar een gebaar bij. De leerlingen doen dit na. Houd het tempo hoog en wissel emoties af.
Voorbeelden: Hé, Au!, O jee, Yes!, Oh oh, Wow, Help!
U legt uit dat in stripverhalen vaak door tekstballonnen korte uitroepen worden getoond, waarbij het stripkarakter een duidelijke emotie laat zien. Hiermee maakt u de overgang van de opwarmer naar de volgende drama-oefening.
In stripverhalen wordt niet alleen gewerkt met tekstballonnen, maar ook met denkwolkjes.
U laat verschillende denkwolkjes aan de kinderen zien.  Deze staan in de bijlage van het boek.
Een kind kiest een denkwolkje uit zonder te zeggen welke is gekozen en speelt de denktekst in een stilstaand beeld (tableau vivant). Een ander kind kiest een denkwolkje erbij en houdt het boven het kind dat in tableau vivant staat. Klopt dit?
De kinderen vormen tweetallen en bedenken samen een kort stripverhaal van vijf tableaus. Het verhaal wordt opgebouwd in Tableau 1: Begin, tableau 2: Opbouw,  tableau 3: Midden, Tableau 4: Afbouw, Tableau 5: Eind
Iedereen krijgt een lege tekstballon. In die tekstballon mogen zij één uitroep schrijven die zij gebruiken in hun stripverhaal. Tijdens het verhaal maken zij gebruik van minimaal twee denkwolkjes uit de vorige opdracht.
Voor de presentatie worden andere kinderen gebruikt om de denkwolkjes en tekstballonnen vast te houden, zodat de kinderen die toneelspelen hun lichaamshouding volledig kunnen inzetten voor hun tableau vivant.
Deze drama-opdracht leent zich perfect om te gebruiken als methode voor een ander doel dan drama-les op zich. Door het thema of onderwerp van de strip te bepalen is dit een verwerkingsopdracht voor ieder ander vak wat u geeft. U kunt het stripverhaal bijvoorbeeld laten gaan over het geschiedenisonderwerp waar u mee bezig bent of het thema waar mee wordt gewerkt (zomer).

Bovenbouw: YouTube (Presentatievaardigheden en omgaan met feedback)
Faalmomenten zijn de grootste nachtmerrie in deze leeftijd, terwijl op YouTube de filmpjes waarin gefaald wordt enorm populair zijn. In de dramalessen is falen zeer belangrijk. In de methodiek theatersport wordt ‘de kunst van het falen’ zelfs als vast en belangrijk onderdeel gehanteerd. Als iets niet helemaal bedacht is, fout kan gaan, is het zowel voor de speler als voor het publiek spannender, prikkelender en uiteindelijk leuker.
U legt een klein voorwerp in de klas, bijvoorbeeld een pennenbakje. De kinderen lopen één voor één nonchalant door de klas en vallen over dit voorwerp. U bespreekt met de kinderen: Wanneer ziet het er geloofwaardig uit? De kinderen waarbij het er ongeloofwaardig uit zag complimenteert u met bijvoorbeeld hun originaliteit of speldurf. U legt uit dat bij de volgende opdracht het doel is om zo geloofwaardig mogelijk toneel te spelen.
Uit de voorgaande opdracht is waarschijnlijk gebleken dat wanneer je iets aan ziet komen dit vaak ten koste gaat van de geloofwaardigheid.  Op filmpjes op YouTube zie je vaak dat iets in scène is gezet als de focus er al op ligt: je ziet het aankomen.
De kinderen gaan nu een scène bedenken waarbij iemand op de achtergrond ‘faalt’. De scène lijkt te gaan om wat er op de voorgrond gebeurt, maar er gebeurt iets plots op de achtergrond. Eigenlijk is dus stiekem hier de scène op gebaseerd.
Voordat een filmpje op YouTube wordt geplaatst wordt deze vaak bewerkt. Er worden delen herhaald, ingezoomd en in slow motion afgespeeld.
Wanneer de kinderen hun bedachte scène uit de vorige opdracht hebben gepresenteerd aan de rest van de groep bespreekt u met de kinderen hoe dit bewerkt zou kunnen worden. Welk deel van de scène wordt herhaald of in slow motion gespeeld? Dit kan een handeling uit de scène zijn. Wanneer wordt er ingezoomd? Bijvoorbeeld bij een bepaalde gezichtsuitdrukking, de speler komt naar voren om het inzoomen vorm te geven.
Onder YouTube filmpjes wordt vaak muziek gebruikt. U kunt daar de emotie-muziek voor gebruiken zoals benoemd bij de opdrachten voor de onderbouw. Ook wordt er vaak gebruik gemaakt van elektronische muziek, u kunt deze op YouTube vinden door de zoekterm ‘Dubstep instrumental’ te gebruiken.
De kinderen spelen hun scène nogmaals, deze keer in de bewerkte versie.
Deze drama-opdracht kunt u gebruiken om maatschappelijke en sociaal-emotionele kwesties bespreekbaar te maken als social media en faalangst. Deze werkvorm kunt u ook inzetten als methode voor een ander vak of thema als verwerkingsopdracht. U kunt het onderwerp van het YouTube filmpje bijvoorbeeld het onderwerp van uw natuurles of verkeersles laten zijn of het thema ‘afscheid van groep 8’ geven.

Materiaal aanpassen aan doelgroep
De genoemde drama-opdrachten zijn verdeeld in onder-, midden- en bovenbouw. Voel u als leerkracht niet geremd om een opdracht die voor jongere of oudere kinderen beschreven is aan te passen en voor uw eigen groep te gebruiken.
De onderbouw opdracht kunt u voor oudere kinderen aanpassen door een ander verhaal te gebruiken waar de verschillende emoties in voor komen. Kinderen uit de bovenbouw kunt u zelf een non-verbale scène laten bedenken waar de vier emoties in gebruikt worden.
De opdracht uit de middenbouw is ook voor de onderbouw te gebruiken. Voor kinderen die nog niet kunnen lezen kunt u pictogrammen in de tekstballonnen tekenen. Kinderen uit de bovenbouw kunnen een moeilijker thema krijgen of gebruik moeten maken van Engelstalige tekstballonnen.
De bovenbouw opdracht bevat veel lagen. Kies als leerkracht voor jongere kinderen uit waar de opdracht voor uw groep over moet gaan en laat de andere delen van de opdracht weg. Bij de onderbouw kan bijvoorbeeld het doen van een handeling in slow motion en met een herhaling voldoende zijn. Van kinderen uit de middenbouw kan al meer gevraagd worden wat betreft geloofwaardig spel en kan daar de focus van de opdracht op liggen en wordt het deel bewerken achterwege gelaten.

Drama-les geven, jij kan het ook
Net als dat het spelen in een drama-opdracht voor het ene kind minder moeite kost dan voor het andere, ligt het geven van drama-lessen de ene leerkracht ook meer dan de andere. Accepteer het als u het wat lastig vindt en laat u er daardoor niet van weerhouden om het te doen. Net als de kinderen zal wanneer het vaker toegepast wordt het steeds gemakkelijker en prettiger aanvoelen. Laat u inspireren door materiaal wat al gemaakt is, maar ook door de creativiteit van de leerlingen. Drama-lessen gaan niet over goed of fout doen, maar over ervaren en beleven. Zet een opdracht in, kijk naar de kinderen en beleef samen met hen wat dit voor moois en verrassends oplevert.