Kinderen hebben drama nodig op school. Het vormgeven van hun creativiteit en emoties hoort bij hun ontwikkeling. Ook leerkrachten kunnen dit met kleine opdrachten doen. Voor kinderen heeft drama een grote meerwaarde als het geen extraatje is als plezier les, maar een vaste plek in neemt in het lesaanbod.

 

Drama in de klas

‘Wat fijn dat je drama komt geven, drama is zo belangrijk maar toch een beetje een ondergeschoven kindje’. Deze veel voorkomende uitspraak horen vakdocenten helaas vaak wanneer zij een school bezoeken. Enkele keren per jaar, of slechts één keer per jaar, komt een gastdocent een drama-les geven. Daarna wordt er door diverse omstandigheden vaak minder tijd besteed aan drama dan de leerkrachten zelf ook graag zouden willen. Door drama regelmatig in te zetten, als werkvorm zodat het voor de kinderen haast ongemerkt gaat, leren kinderen door spel en beweging. De introverte kinderen gaan meer open, de energieke kinderen kunnen hun energie als kwaliteit inzetten en het leerrendement verhoogt. Door lesstof met drama-opdrachten als middel aan te bieden beklijft het geleerde vaak beter.

 

Stampen door de plas

In de taalontwikkeling is het doen van rijm-ritme oefeningen essentieel. Drama leent zich hier uitstekend voor. Een voorbeeld van een opdracht wat qua thema prima past in de herfst, maar uiteraard het hele jaar door gebruikt kan worden.

De docent leert de leerlingen het volgende versje aan:

 

Ik wil stampen in de plas

Dus ik pak mijn regenjas

Ook mijn laarzen trek ik aan

Nu kan ik naar buiten gaan

Stampen in de plas

Stampen in de plas

Stampen in de plas

Alsof ik iemand anders was

 

Wanneer de leerlingen het versje kennen staan zij aan de zijkant van de spelruimte. Steeds komt er een leerling naar voren, de anderen zeggen het versje. De leerling heeft een personage gekozen en trekt op deze manier de regenjas en laarzen (een klein kind doet dat anders dan een opa of een chique dame). Bij ‘stampen in de plas’ beweegt de leerling zich als het personage naar de overkant van de spelruimte. Door de cadans van het versje blijven alle leerlingen betrokken en zullen ook de verlegen leerlingen sneller naar voren durven stappen wanneer zij aan de beurt zijn.

 

Weet je wat ik van jou vind?

Met de volgende opdracht wordt samenwerking en intonatie geoefend, maar ook het verschil tussen bijvoeglijk en zelfstandig naamwoorden. Afhankelijk van het thema in de klas kan de leerkracht nog meer sturen in wat voor zelfstandig naamwoorden gebruikt moeten worden. Bijvoorbeeld in het thema verkeer alleen vervoersmiddelen.

De leerlingen staan in twee rijen tegenover elkaar. A zegt tegen B: “Weet je wat ik van jou vind? Ik vind jou een coltrui/ spijkerbroek/ sportschoen.”

De leerlingen mogen alleen een kledingstuk noemen zonder bijvoeglijk naamwoord. (Geen mooie jas of lelijke sok). B antwoordt: “Bedankt”.

De reactie van de B moet gebaseerd zijn op de intonatie van A.

 

Ik ga naar een planeet en neem mee

De leerlingen staan in een kring. Dit spel is bekend als: “ik ga op vakantie en neem mee…” Eén van de leerlingen start het spel door te zeggen: “Ik ga naar een planeet en ik neem mee….” en dan iets te noemen en wat hij mee zou nemen op reis, bijvoorbeeld een pakje lucifers om vuur te maken. De speler beeldt dit ook uit met een handeling. De leerling ernaast neemt het over en wil bijvoorbeeld graag een slaapzak meenemen. Hij zegt dan: “Ik ga naar een planeet en ik neem mee… een pakje lucifers (beeldt uit) en een slaapzak (beeldt uit).

Belangrijk is dat de handeling gespeeld worden en door de hele groep meegespeeld worden. Zo blijft de hele groep betrokken en de leerlingen ervaren dat bewegend leren makkelijker is. Deze opdracht kan toegepast worden op alle thema’s van de klas en zodoende kunnen alle soorten begrippen behandeld worden.

 

Leerkrachten en vakdocenten, ze hebben elkaar nodig

Wanneer alle leerkrachten drama geven in hun lespraktijk, maakt dat een vakdocent overbodig? Wanneer er een vakdocent een drama-les komt geven, is drama in de klas door een leerkracht dan niet meer nodig? In beide gevallen is het antwoord: nee.

Wanneer de leerlingen gewend zijn aan doen van drama-opdrachten zal de vakdocent die te gast is in de klas verdieping kunnen geven. Over de eerste drempels is in de lessen met de leerkracht al gegaan waardoor de vakdocent niet teveel tijd kwijt is aan het opbouwen van speldurf en al gauw zijn of haar vakkennis kan inzetten. Voor zowel de kinderen als voor de leerkracht zal de gastles dan inspirerend zijn. De leerkracht wordt door de vakdocent weer op nieuwe ideeën gebracht en kan deze weer meenemen in het eigen aanbod. Door als leerkracht al met de leerlingen aan drama te doen wordt het leerrendement tijdens een gastles nog groter.

 

Drama-les geven, jij kan het ook

Drama-lessen, de ene leerkracht heeft er meer mee dan de andere leerkracht. Laat u niet weerhouden om toch drama oefeningen in te zetten in de klas. Net als dat sommige kinderen bij een drama-les een grotere drempel moeten nemen dan de anderen, geldt dat voor leerkrachten ook. Ook voor leerkrachten geldt: oefening baart kunst. Uiteindelijk door het vaker te doen zal het steeds gemakkelijker en prettiger aanvoelen. Laat u inspireren door materiaal wat al gemaakt is, maar ook door de creativiteit van de leerlingen. Drama-lessen gaan niet over goed of fout doen, maar over ervaren en beleven. Zet een opdracht in, kijk naar de kinderen en beleef samen met hen wat dit voor moois en verrassends oplevert.